BREHM, HET LEVEN VAN DE DIEREN
DEEL 3  , VOGELS;  Uitg.Mij. Enum Amsterdam 1930

Alle soorten van gierzwaluwen hebben weinig     vijanden. Hier te lande maakt alleen de boomvalk jacht op deze zoo buitengewoon snel vliegende vogels, die zich niet anders dan vliegend vertoonen.
Op den trek worden zij bedreigd door valken van dezelfde familie. De jongen worden soms belaagd door klimmende knaagdieren, maar alleen dan wanneer ze in nestkastjes of in holle boomen verblijf houden.
De mensch vervolgt hen in ons land alleen daar waar ze voor de spreeuwen lastig en gevaarlijk worden, men doet echter verstandiger, zooals L i eb e aanraadt, vlakke kast j es van ca. 50 cM. lengte, 15 cM. breedte en 7 cM. hoogte met een rond gat van 5 cM. door-snede voor hen te bouwen en van binnen met een soort nest te bekleeden, hierdoor worden de spreeuwen in de buurt meer afdoende beschermd.
De heer Daumerlang vertelt in een aan mij gerichten brief hoe hij een jarenlangen strijd tusschen gierzwaluwen en spreeuwen heeft meegemaakt. Aan het venster tegenover mijn studeerkamer bevindt zich een spreeuwenkastje, dat door zijn gunstige plaats gegeregeld bewoond wordt, zoo niet door spreeuwen, dan toch door musschen en tijdens den zomer door gierzwaluwen.
De spreeuwen blijven altijd overwinnaars tegenover de musschen, maar niet in hun strijd tegen de gierzwaluwen.
De laatsten laten zich nergens door afschrikken en nemen van het kastje bezit; hoewel bij hun aankomst het vrouwtje van den spreeuw broedt. Als ik niet tusschenbeide kom, worden de broedende spreeuwen na een lang en hevig gevecht verdreven. Het wijfje van de gierzwaluw is het er alleen om te doen geheel onder in het kastje te komen, om van het nest bezit te nemen en slaat in haar pogingen geen acht op het pikken der verwoede spreeuwen. Als de spreeuwen verdwenen zijn, worden de eieren gebroken of de jongen gedood door hun klauwen.
Daar ik veel van gierzwaluwen houdt, omdat ze zoo levendig zijn, heb ik een afzonderlijk nestkastje voor hen opgehangen, maar ik  kon constateeren, dat ze dit niet gebruikten, omdat er geen nest in was. Het is hun namelijk om het laatste te doen.
Om de gierzwaluwen te verjagen, verwijderde ik ze eenvoudig met de hand van het spreeuwenkastje.
Ik ging aan het raam staan en nam ze, toen ze in het gat wilden kruipen, vast, want deze trotsche vliegers kennen geen gevaar en zijn in het geheel niet bang voor menschen. Menigmaal ving ik in den loop van enkele uren 4-6 stuks; maar even zoovelen ontkwamen me. Om te zien of ze door het verlies van hun vrijheid voorzichtiger waren geworden, hield ik ze eenigen tijd opgesloten en bestreek daarna den kop en de vleugels met witte olieverf. Ze gaven er niets om; zoolang de jonge spreeuwen niet volwassen waren, herhaalden ze hun pogingen om het nest te veroveren. Om dit te verhinderen vervaardigde ik, eindelijk ongeduldig geworden, een kraag van bordpapier en deed dit een wijfje, dat steeds weer terugkeerde, om den hals. Maar dien kraag had ze gauw van haar kop af en opnieuw begon de aanval. Het mannetje van het spreeuwenpaar verzette zich dapper, maar het hielp niets.
Tot tweemaal toe stortte het zich met zooveel kracht op 1 der belagers, dat beiden zich aan elkaar vasthaakten, en op den grond vielen. Ook ik ondersteunde den dapperen verdediger van zijn familie, doordat ik de gierzwaluwen met zand bestookte, maar onze gemeenschappelijke pogingen bleven zonder resultaat.
De gierzwaluw voedt zich met zeer kleine insecten, het is moeilijk te bepalen, tot welke soorten deze behooren, daar zij voor het meerendeel in de maag van den gedooden vogel door de spijsvertering zooveel geleden hebben, dat zij onkenbaar zijn. Stellig vliegen de insecten, die haar voornaamste voedsel uitmaken, in zeer hooge luchtlagen
en komen zij hier alleen bij gunstige weergesteldheid voor. Want dit alleen kan een verklaring leveren van de zoo late komst van de gierzwaluw en van het feit, dat zij op verschillende plaatsen op ongelijke tijden verschijnt en meer of minder lang blijft.
Dat zij, evenals haar verwanten, de meest verschillende insecten, bv. kevers, kleine vlinders, muggen, libellen enz. verslindt, is zeker, daar resten er van in de uitgespuwde ballen te vinden zijn, ze maken echter niet het hoofdbestanddeel van de gierzwaluwen uit, want anders  behoefde zij niet tot Mei toe in zuidelijke streken te blijven en ons land reeds in Augustus weer te verlaten. Zij baadt waarschijnlijk alleen als het regent, ze duikt nooit in het water, zooals de gewone  zwaluwen. De eenige reden van haar bijna rustelooze werkzaamheid?
Gierzwaluwen 1930